
De WMPC en het vrij beroep
Geplaatst op 27 mei 2010 onder Nieuws > De WMPC en het vrij beroep door Ellen Bruwiere.
Yves Vandendriessche, advocaat bij Crivits & Persyn, onderzocht recentelijk de toepasbaarheid van de Wet Marktpraktijken – tot voor kort nog de Wet Handelspraktijken – op de titularissen van een vrij beroep. Gezien die laatsten klassiek gezien steeds voorzien werden van een afzonderlijke wetgeving, betreft het een zeer interessante problematiek.
Er is inderdaad een diepgeworteld dualisme merkbaar waarbij enerzijds de gewone “commerçant” (juridisch correcter: de “onderneming”) door de Wet Marktpraktijken gevat wordt, terwijl de vrije beroeper door een specifieke wet van 2 augustus 2002 wordt geviseerd. Hoewel de opheffing van de Wet Handelspraktijken ten voordele van de Wet Marktpraktijken een revolutie bleek in te kunnen houden, bleven we spijtig genoeg op onze honger zitten: het dualisme werd – tegen de logica en de wil van de Europese wetgever in – andermaal bevestigd. Dat heel wat gelobby van de vrije beroepers daarmee gemoeid ging, zal weinigen verbazen.
De wet van 2 augustus 2002 spitst zich concreet toe op de overeenkomsten op afstand, de onrechtmatige bedingen en de misleidende en vergelijkende reclame. Het betreft regelingen die we eveneens terugvinden in de Wet Marktpraktijken en die onder invloed van tal van Europese richtlijnen meer en meer geharmoniseerd zijn geworden. De beide wetten zijn inderdaad meer en meer elkaars spiegelbeeld gaan vormen.
Daar waar de vroeger Wet Handelspraktijken overigens zelfs niet eens voorzag in een specifieke uitsluiting, doch de vrije beroeper indirect via haar dienstenbegrip uit het personeel toepassingsgebied weerde, worden we heden ten dage geconfronteerd met een meer hardnekkige aanpak: de Wet Marktpraktijken die normaliter van toepassing is op de “onderneming”, hetwelk een zeer ruim concept betreft en in principe eveneens de vrije beroepsbeoefenaar zou omvatten, stelt ons toch vrij teleur nu een concrete uitsluiting voor die laatste bewerkstelligd werd. De definiëring van het (uitgesloten) vrij beroep is overigens wat bizar. Vooral de vereiste van een beroepsregulerende overheid lijkt compleet voorbijgestreefd te zijn. Het leidt er alleszins toe dat bepaalde vrije beroepen die niet aan dergelijke overheid worden onderworpen – zoals de burgerlijke ingenieur, de diëtist, de vroedvrouw, e.d.m. – toch onder het toepassingsgebied van de Wet Marktpraktijken – die immers als lex generalis speelt – zullen komen te ressorteren en aan dat van de wet van 2 augustus 2002 zullen worden onttrokken. Voer voor het Grondwettelijk Hof? Ongetwijfeld.
Achtereenvolgens wordt bij verschillende onderwerpen stil gestaan. Vooreerst wordt een omschrijving geboden van het vrij beroep en zijn cliënt, waarbij tevens aandacht uitgaat naar het feit dat de vrije beroepsbeoefenaar (onterecht?) uit het handelsrecht wordt gesloten. Vervolgens worden de verschillende regelingen uit de wet van 2 augustus 2002 onder de loep genomen waarbij vooral ook verwezen wordt naar de corresponderende bepalingen uit de Wet Marktpraktijken. Uiteraard gaat ook heel wat aandacht naar het uiteenzetten van de verschilpunten. Tenslotte wordt een betoog geleverd om uiteindelijk af te stappen van het dualisme en de vrije beroeper gewoon ook onder het personeel toepassingsgebied van de Wet Marktpraktijken te brengen en de specifieke wet van 2 augustus 2002 op te heffen.
De volledige publicatie kan u hier downloaden.
Bronnen:



