Schilders moeten schilderen, anders is er geen kunst meer

Schilders moeten schilderen

Geplaatst op 30 augustus 2010 onder Intellectuele eigendom > Auteursrecht door Stephanie Parmentier.

“Schilders moeten schilderen, anders is er geen kunst meer” - Ole Ahlberg

Dat de grens tussen plagiaat en parodie niet altijd makkelijk te trekken is, mag duidelijk blijken uit een arrest van 18 juni van het Hof van Cassatie. Eisers in cassatie, de rechtenhouders van schilder René Magritte en striptekenaar Hergé, van wiens hand Kuifje is, verzetten zich tegen de werken van de Deense kunstenaar Ole Ahlberg.

Ole Ahlberg maakt voor zijn schilderijen o.a. gebruik van de paus, de figuren uit de stripreeks Kuifje en Mona Lisa. Deze bekende en herkenbare figuren plaatst hij in een nieuwe omgeving. Zo figureren Jansen en Janssens in een ‘parodie’ op het werk van René Magritte, Golconde.
Een tentoonstelling in Brussel in 1998 en 2002 is de aanleiding tot een ware procedureslag. Ahlberg wendt zich met een stakingsvordering tot de rechtbank van eerste aanleg in de hoop dat de rechtenhouders van Hergé en Magritte hun vordering tot verwijdering en vernietiging van de werken zouden laten varen. Hij beroept zich hierbij o.a. op het recht om oorspronkelijke werken te parodiëren, een exceptie door de auteurswet van 1994 ingevoerd. Deze parodie-uitzondering werd door de rechtbank echter niet gevolgd.
Opdat een beroep op de parodie-exceptie kan slagen, dienen een aantal -praetoriaans ontwikkelde- voorwaarden voldaan te zijn:

  1. het werk moet origineel zijn, de auteur moet er m.a.w. zijn persoonlijke stempel op gedrukt hebben;
  2. de parodie is bedoeld als kritiek of bespotting van het geparodieerde werk zelf;
  3. de parodie moet een humoristische ondertoon of een ironisch karakter bezitten;
  4. de parodie mag niet meer vormelementen overnemen dan strikt noodzakelijk is om de parodie tot stand te brengen;
  5. de parodie mag niet tot verwarring aanleiding geven met het oorspronkelijke werk;
  6. een commercieel doel mag niet louter of hoofdzakelijk aan de basis liggen van de parodie;
  7. de parodie mag niet gecreëerd zijn met de loutere of hoofdzakelijke intentie of met het opzet schade toe te brengen aan het oorspronkelijke werk.

Het duurt tot 2007 eer er aan deze juridische tweestrijd een vervolg wordt gebreid. Het Brusselse hof van beroep doet de balans aan de andere kant hellen wanneer ze de rechtenhouders van Hergé en Magritte in het ongelijk stelt. Dit arrest is een zeldzaam voorbeeld in de Belgische rechtspraak van het, op een uitvoerig gemotiveerde manier, aanvaarden van de parodie-exceptie. Ze dient aangemoedigd te worden omdat ze kunstenaars in staat stelt om, gebruikmakend van auteursrechtelijk beschermde iconen, op een creatieve manier nieuw en parodiërend werk te scheppen. Bovendien is deze rechtspraak volledig conform de Europese regelgeving en rechtspraak.

Echter, de progressieve ingesteldheid van het Brusselse hof van beroep werd door het Hof van Cassatie niet op gejuich onthaald. In een arrest van 18 juni 2010 werd de beslissing van de appelrechter verbroken. De cassatierechters hebben zo beslist omdat ze menen dat het Brusselse hof van beroep onvoldoende motiveerde waarom de rechtenhouders de exploitatie van de auteursrechten van Ahlberg zouden hebben verhinderd en waarom de kunstenaar zich met een stakingsvordering tegen hen zou kunnen verweren.

De reacties op dit cassatiearrest zijn overwegend negatief. De rechtsleer, met op kop hoogleraar mediarecht Dirk Voorhoof, meent dat het Hof opvallend tegemoetkomt aan de belangen van de rechtenhouders van Hergé en Magritte en het culturele erfgoed rond Kuifje. Het is opmerkelijk dat het hoogste gerechtshof volledig voorbijgaat aan het eigen auteursrecht van Ahlberg, waarop de acties van de rechtenhouders wel degelijk als een inbreuk beschouwd kunnen worden. Een tweede punt van kritiek betreft de houding van het Hof van Cassatie t.a.v. de door Ahlberg ingestelde stakingsvordering. Volgens het Hof is deze vordering enkel mogelijk om plagiaat of ongeoorloofde namaak tegen te gaan. Met deze interpretatie gaan het Hof duidelijk in tegen de tekst van de auteurswet. De stakingsvordering staat immers open voor elke inbreuk op het auteursrecht.

Het cassatiearrest illustreert dat het moeilijk is een evenwicht te vinden tussen het recht van artistieke expressievrijheid, dat zijn grondslag vindt in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en het auteursrecht.
Zo kan de houder van het auteursrecht van een creatief werk aan anderen een verbod opleggen dat werk te vervormen of te parodiëren. Tot daar geen probleem, maar wat als dit ten onrechte zou gebeuren? Dan zou er, als de rechtspraak van het Hof van Cassatie gevolgd wordt, geen enkel rechtsmiddel openstaan voor de auteur van de parodie om hun eigen auteursrecht te beschermen. Dit kan bezwaarlijk in overeenstemming met het EVRM genoemd worden.

To be continued

Bronnen:

D. VOORHOOF, “België: de paradoxen van de parodie” in W. GROSHEIDE (ed.), Parodie: parodie en kunstcitaat, Den Haag: Boom juridische uitgevers, 2006, p. 123-171